Menu
 
Bezoek de gloednieuwe tentoonstelling 'Drie eeuwen grafische industrie'!
Vieze goten en verborgen gevels. Drie eeuwen Gentse beluiken.
Download

Hoger resolutiebeeld? Neem contact met de bibliotheek.

Deel op social media

Vieze goten en verborgen gevels. Drie eeuwen Gentse beluiken.

Een beluik is eigenlijk een groep minderwaardige arbeiderswoningen die gegroepeerd zijn rond een koertje, een straat of een steeg. Algemeen kenmerk is het afgesloten zijn, aangezien de meeste beluiken slechts via één ingang toegankelijk zijn. Andere beluiken hebben dan weer twee of drie ingangen. Afhankelijk van hoe deze ingeplant zijn, spreekt men van straat-, steeg- of pleinbeluiken.

Gent springt er in België uit door het verbluffend grote aantal beluiken en door de zeer vroege beluikenbouw. Vroeger hadden de Gentenaren het overigens niet over beluiken, maar over ‘cités’ en ‘poortjes’. Vanaf de jaren 1770 kent het Gentse beluikenfenomeen een explosieve groei. De bebouwde ruimte in de stad versnippert sterk. Op veel binnenterreinen en achterhoven worden minderwaardige arbeidershuisjes gebouwd. Kwantiteit is belangrijker dan kwaliteit. Rond 1840 wonen in Gent een kleine 20.000 mensen in 600 beluiken - een kwart van de inwoners op vijf procent van de beschikbare oppervlakte! In een rapport van 1848 beschrijven de Gentse dokters Mareska en Heyman de erbarmelijke leefomstandigheden in het beluik Batavia: “Onze studie over den Gentschen werkman bracht ons in die vuile goten, nieuwerwetsche vinding, die men aanduidt onder den naam van beluiken of stegen en het bestaan te kennen geven eener tweede stad in de lucht.” Het beluik telt 117 huisjes en 4 straten op een oppervlakte van nauwelijks 3000 m². Voor heel de bevolking (ongeveer 580 mensen) zijn er slechts zes toiletten en twee pompen. De meeste huisjes bestaan uit één of twee kamertjes van 4 x 4 meter.

(Een beluik in de Korte Krevelstege, eind 19e eeuw. De beluikkoer was 3,5 m breed. Foto Edmond Sacré, eind 19e eeuw, © KIK)

Al snel blijken de arbeidersbuurten broeihaarden voor epidemieën als tyfus, cholera en pokken. In 1850 komt dan een eerste bouwreglement . Tot dan beschikt de overheid niet over legale middelen om de toestand van de arbeidershuisvesting aan te pakken. Wanneer in 1860 ook het octrooirecht verdwijnt, een belasting op het invoeren van goederen en voeding in de stad, leidt dit tot het afbreken van de stadspoorten, bareelhuisjes en wallen. De 19e-eeuwse gordel met nieuwe arbeidershuizen en fabrieken ontstaat. Grootgrondbezitters, fabrikanten en speculanten gaan aan ‘volkshuisvesting’ doen. Zo ontstaan volledige stadsdelen, waarbinnen de beluiken verweven zijn (Brugse Poort, Rabotwijk, Ledeberg, Gentbrugge…). Heel wat arbeiders vestigen zich bij de nieuwe bedrijven in het noorden, oosten en westen van de stad.

(Interieur van een arbeiderswoning, eind 19e eeuw, © Archief Gent)

Pas tegen het einde van de 19e eeuw maakt het stadsbestuur voorzichtig werk van een actief huisvestingsbeleid en zet de overheid enkele stappen voor beschermende maatregelen. In 1889 komt er een wet die vooral tot doel heeft om het idee van de arbeider-eigenaar in de praktijk te brengen. De ASLK (Algemene Spaar- en Lijfrentekas) wordt ingeschakeld voor de financiering van de arbeiderswoningen. De overheid richt ook Beschermingscomités op. Die hebben propaganda, studie en controlebevoegdheid als voornaamste taak. Sancties treffen kunnen ze echter niet. De wet van 1889 zelf heeft niet meteen een groot effect. Er volgen wel enkele onderzoeken. Vooral het onderzoek van 1904 wordt op een grondige en wetenschappelijke manier aangepakt.

  

(Een plattegrond en een tekening van de ideale arbeiderswoning vatten de onderzoeksresultaten van het Beschermingscomité samen, 1911. © Archief Gent)

Na de Eerste Wereldoorlog lossen het stadsbestuur en de sociale huisvestingsmaatschappijen de woningnood met mondjesmaat op. De Gentse Maatschappij richt 294 woningen op aan de Brugse Poort, een tuinwijk van 241 woningen in de Lourdesstraat en ook een tuinwijk aan de Zwijnaardsesteenweg. Het stadsbestuur stelt noodwoningen van het Koning Albertfonds ter beschikking. Enkele van de grootste complexen bevinden zich langs de Ferrerlaan en de Afrikalaan. In de jaren 1920 worden nog enkele bouwmaatschappijen opgericht, in 1923 de socialistische bouwmaatschappij ‘De Goede werkmanswoning’ en in 1928 de ‘Volkshaard’. 

Voor veel beluikbewoners zijn de sociale woningen (zowel huur als aankoop) te duur. Vanaf 1930 moet een speciaal opgerichte stadsdienst de krotwoningen in de stad opsporen, tellen en beschrijven. Op basis van die gegevens worden de eigenaars aangespoord tot het opknappen van hun woning. 

Vanaf 1950 breekt voor de huisvestingsmaatschappijen een periode van intense activiteit aan. Op enkele jaren tijd worden er grote sociale woonbouwprojecten afgewerkt op verschillende werven. Ook hoogbouw wordt immens populair. 

(Beluikbewoners aan de ingang van hun huisje. Aan de muur een affiche dat de woningen onbewoonbaar zijn verklaard. © AMSAB)

In 1954 start bijvoorbeeld een saneringsplan voor de wijk Groenebriel. De krotten worden onbewoonbaar verklaard en onder meer de Gentse Maatschappij bouwt de vrijgekomen oppervlakte vol. Eigenaars krijgen hun beluiken vanaf de jaren 1960 dan ook nog moeilijk verhuurd of verkocht. Een renovatie dringt zich op, maar als de arbeidsmigranten uit Turkije en Noord-Afrika onderdak zoeken, verhuren de huisbazen hun krotten opnieuw. 

(Beluik in de Philippinestraat (Filipinnestraat), Voormuide, Gent.
F10003-338, collectie Industriemuseum)

Ik was heel erg ontgoocheld. Ik had het zo slecht niet verwacht. De toilet was buiten en we moesten die delen met de andere huizen. De kakkerlakken kropen over de toiletmuren. Er was één kamer, een leefruimte. We hadden nauwelijks stromend water. Naast de deur was een waterpomp. We sliepen met iedereen samen in dezelfde kamer. Mijn moeder huilde dag in dag uit. We woonden daar ongeveer drie maanden.” 

(Fatma K., die op 12-jarige leeftijd met haar moeder, broers en zussen haar vader vervoegt in Gent, interview door Jozefien De Bock, 2011) 

Aan het einde van de jaren 1970 telt Gent nog zo’n tweehonderd beluiken, die samen meer dan tweeduizend gezinnen huisvesten. De meeste beluiken zijn er slecht aan toe. Gepensioneerde textielarbeiders, West-Vlaamse studenten en migrantengezinnen wonen er dicht bij elkaar en delen het sanitair.

Vanaf de jaren 1975 wordt het woonbestand ontoereikend voor de bevolking die almaar stijgt. Slechte leefomstandigheden, discriminatie op de woningmarkt, een gebrek aan betaalbare woningen … de obstakels zijn niet min. Er komt een vijfjarenplan voor de renovatie van beluiken. In de loop van de jaren 1990 en 2000 worden heel wat beluiken gesloopt en vervangen door nieuwe woningen of groene ruimte. Sommige beluiken worden gerenoveerd, enkelen krijgen het statuut van beschermd monument. Een belangrijke katalysator in dit verhaal is het onderzoek van de WIARUG (Werkgroep Industriële Archeologie Rijksuniversiteit), en de initiatieven van het pas opgerichte MIAT en enkele heemkundigen. Ze verrichten in de jaren 1970 en 1980 baanbrekend werk om de beluiken in kaart te brengen.  

Anno 2017 zoekt Gentenaar Eric Jansen alle resterende beluiken, steegjes en kapelletjes nog eens op en schenkt zijn fotoreeks aan de digitale collectie van het Industriemuseum.

Meer uit deze collectie...

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Schrijf mij uit